In een eerder artikel werd al besproken wat de impact is van uw huwelijksstelsel op de aandelen van uw onderneming. Wanneer u gehuwd bent onder het wettelijk stelsel is het vaak zo dat de aandelen (of toch minstens de vermogenswaarde van deze aandelen) behoren tot het gemeenschappelijk vermogen. In dat geval komt bij echtscheiding de waarde van deze aandelen voor de helft toe aan de ene echtgenoot en voor de andere helft aan de andere echtgenoot.
Toch is het ook bij een huwelijk onder het wettelijk stelsel mogelijk dat de aandelen van uw onderneming niet behoren tot het gemeenschappelijk vermogen en, dus, volledig eigen zijn. Dit is onder andere het geval indien de vennootschap werd opgericht voor het huwelijk of wanneer de vennootschap werd opgericht tijdens het huwelijk, maar uitdrukkelijk met zogenaamde “eigen” gelden.
Over deze laatste situatie mocht het Grondwettelijk Hof zich op 5 maart 2026 uitspreken. Het Hof zet de principes nog eens duidelijk uiteen. Concreet ging het over twee echtgenoten, die sinds 2002 gehuwd waren onder het wettelijk stelsel, en uit de echt zijn gescheiden in 2022. De betwisting ging meer bepaald over een vennootschap, opgericht door de man kort na het huwelijk, maar met zijn eigen gelden. Beide waren zaakvoerders, werkten voltijds voor het bedrijf en ontvingen dezelfde maandelijkse bestuursvergoeding.
Het Hof stelt ten eerste vast dat zowel de aandelen van de vennootschap, opgericht met eigen gelden, als de waardestijging van deze aandelen tijdens het huwelijk, behoren tot het eigen vermogen van de man. Zijn echtgenote kon dus geen aanspraak maken op de aandelen zelf en deze aandelen bleven van hem na een echtscheiding.
Het Hof is evenwel van mening dat het niet aanvaardbaar zou zijn binnen een wettelijk stelsel, dat de echtgenoot het gemeenschappelijk vermogen de inkomsten ontzegt uit zijn beroepsactiviteit, doordat hij zijn beroep uitoefent via een eigen vennootschap. De beroepsinkomsten van beide echtgenoten moeten dus principieel toekomen aan het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten. Dit zou ook het geval geweest zijn, indien de echtgenoot zijn onderneming via een eenmanszaak in plaats van via een vennootschap had gevoerd.
De oplossing wordt gevonden in artikel 2.3.44 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (artikel 1432 lid 1 van het oud Burgerlijk Wetboek). Volgens dit artikel is een echtgenoot immers vergoeding verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen telkens als deze echtgenoot persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen. Aangezien de beroepsinkomsten van de echtgenoot toebehoren aan zijn eigen vennootschap, is deze echtgenoot daarom vergoeding verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen gelijk aan het bedrag van de inkomsten die het gemeenschappelijk vermogen zou hebben ontvangen, indien de beroepsactiviteit niet via een vennootschap zou zijn uitgeoefend. Die vergoeding omvat in principe de waardestijging van de onderneming tijdens het huwelijk.
Deze interpretatie is zeker niet nieuw. In een arrest van 6 mei 2024 oordeelde het hof van beroep van Bergen ook al dat een arts, die via zijn eigen vennootschap zijn artsenpraktijk uitoefent, bij echtscheiding vergoeding verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermogen voor de inkomsten uit de artsenactiviteit die het gemeenschappelijk vermogen misliep doordat de activiteit via een eigen vennootschap werd uitgeoefend.
Een belangrijk aandachtspunt is dat sinds de Wet van 22 juli 2018 een soortgelijke regeling, voor echtgenoten gehuwd onder het wettelijk stelsel die hun beroep uitoefenen via een vennootschap, wettelijk verankerd werd in artikel 2.3.44 lid 2 Burgerlijk Wetboek. In de hierboven besproken zaak werd op dit nieuwe artikel geen beroep gedaan, aangezien dit nieuwe artikel enkel van toepassing is voor de verarming van het gemeenschappelijk vermogen vanaf 1 september 2018.
Er moet benadrukt worden dat deze vergoedingsplicht en de hierboven vermelde rechtspraak enkel gelden voor huwelijken onder een gemeenschapsstelsel. Huwelijken onder een stelsel van scheiding van goederen of relaties zonder huwelijk, zoals wettelijke of feitelijke samenwoning, vallen niet onder deze regels.
Voor ondernemers is het dus van cruciaal belang op voorhand stil te staan bij de regeling rond hun huwelijksstelsel en een regeling op maat uit te werken via een huwelijkscontract. Veel ondernemers zijn immers op korte termijn niet in staat de financiële middelen vrij te maken om een dergelijke vergoeding te betalen bij echtscheiding. Een echtscheiding kan zo een grote impact hebben op uw bedrijf.
Onze experts van PKF BOFIDI kunnen u hierin uiteraard ondersteunen en begeleiden.
Neem gerust contact op met ons team via info@pkfbofidi.com.
Lees het eerder artikel hier.
Fréderic Stynen – PKF BOFIDI Legal